7 juni 2020 – Brief aan de rechtbank

De volgende brief is afgelopen week door mijn advocaat Patrick van der Meij verstuurd naar de rechtbank in Amsterdam. Gelukkig heeft hij meer vertrouwen in de integriteit van dit proces dan ik heb. Ik verwacht er weinig van, maar ik hoop er tegelijk het beste van.

brief aan de rechtbank - Keith Bakker Official Blog

Amsterdam,  5 juni  2020

Edelachtbare vrouwe,

Vandaag,  woensdag 3 juni  2020,  zou  uw rechtbank  naar verwachting vonnis hebben gewezen  in  de strafzaak van onze  cliënt, de  heer  Bakker,  in  de strafzaak  met  parketnummer  13/65019219.  Uiteraard  hoeven wij  de  zaak als  zodanig  niet  bij  u in  herinnering te brengen,  nu  de  inhoudelijke behandeling nog  maar  kort geleden  heeft  plaatsgevonden  en bovendien  naar wij  aannemen  in deze tijden  niet al te veel andere  zittingen  in  de  tussentijd  hebben  plaatsgevonden.

De eerlijkheid  gebiedt ons te zeggen  dat  de verdediging  zich tot  op  de  dag van vandaag  niet  kan verenigen    met  de  beslissing die  uw  rechtbank heeft genomen om  het  late verzoek van  de  officier van  justitie toe te  kennen  en  cliënt alsnog  naar   het  Pieter  Baan  Centrum ter  observatie te  brengen.

Daarmee wordt deze zaak  maandenlang voor  ons uitgeschoven  voor slechts een  heel  beperkt  maar tijdrovend  en  kostbaar onderzoek,  dat  bovendien  grotendeels reeds  is  verricht. U kunt  zich wellicht voorstellen  dat cliënt stellig meent dat uw  rechtbank  in dezen vooringenomen  is  geweest,  althans dat dit  achteraf is gebleken.  We zullen  dit om  een veelheid  van redenen  niet  (alsnog) vertalen in een wrakingsverzoek, omdat  wij  als  advocaat terdege  beseffen  dat wraking geen verkapte beroepsmogelijkheid  inhoudt tegen onwelgevallige beslissingen.  Dat  maakt de beslissing van  uw rechtbank  echter nog niet begrijpelijk voor  ons,  ook  al  heeft u  de  handelswijze van  de  officier van justitie  terecht  ‘hoogst ongelukkig’ genoemd.

Aangezien wij  hebben  geleerd  de zaken die  ons dwarszitten  te  benoemen  en  wij  bovendien  de verdediging graag  pragmatisch  insteken,  melden  wij  ons  opnieuw  bij  uw  rechtbank  met wellicht  stof tot  nadenken  en  een  aanvullend verzoek.  Daarvoor is het van  belang om de  gang van zaken  met betrekking tot  het  late verzoek van  de  officier van justitie  ter  zitting  nog eens te  schetsen  en  dat af te  zetten tegen  wat  nog  dient te gebeuren  in  deze zaak alvorens  we  daadwerkelijk aan  een inhoudelijke  behandeling toekomen.

De  officier van  justitie  heeft  zich op  18 oktober  2019  met een vordering ex art.  196 Sv gewend  tot de  rechter-commissaris voor  een  multidisciplinair onderzoek  naar de geestesvermogens van  cliënt. Op  28 oktober 2019  heeft de griffier van  de  rechter-commissaris  laten weten  dat  het geplande verhoor  in het kader van de  vordering  op  29 oktober 2019  geen doorgang  kon vinden, omdat de rechter-commissaris  de  officier van justitie  om  een  nadere toelichting  had  verzocht.  Die toelichting

is gekomen en  bestond  erin  dat de officier van justitie van  mevrouw  [….],  psychiater van  het  NIFP, had vernomen  dat cliënt niet  zou  willen   meewerken  aan  dergelijk  onderzoek. Voor uw begrip, mevrouw […]  heeft slechts kort  contact  met cliënt gehad  op de  dag van  diens voorgeleiding aan  de rechtercommissaris in welk  gesprek cliënt een eventuele medewerking heeft afgehouden  voor dat moment.  Dat kunnen wij  met  zoveel stelligheid zeggen,  omdat mevrouw  […]  raadsman Van der Meij heeft  gebeld  en  tijdens  dat telefoongesprek een soort drieweg overleg heeft  plaatsgevonden.  Ook op  dat  moment al   is geen  harde ontzegging van de  medewerking door cliënt geweest.

Op 18  november 2019  is mr Van der Meij met  cliënt  aanwezig geweest in  het  kabinet van  rechter-commissaris. Voor dit  overleg geldt wat ons  betreft dat de toelichting van  de  officier van justitie  nog altijd zeer beperkt was  (Bakker is eerder veroordeeld  en  Bakker wil  niet  meewerken),  maar in  het kabinet  heeft  een  goed en  indringend  gesprek plaatsgevonden waarna  de  rechter-commissaris een beslissing op de  vordering heeft  aangehouden  met  het oog op de toegezegde medewerking door cliënt  aan  het onderzoek.  In  het  proces-verbaal, dat  u ongetwijfeld  in  het dossier heeft aangetroffen, staat opgenomen:

De  rechtercommissaris deelt mee dat op  dit moment de  vordering niet behandeld zal worden  aangezien  verdachte heeft aangegeven dat hij bereid is te spreken  met een psycholoog  en psychiater,  De behandeling van  de vordering zal worden aangehouden. De rechtercommissaris vraagt de officier van Justitie eerst onderzoek naar verdachte  te laten doen door een psycholoog en psychiater – het liefst van De Waag – en anders van  het NIFP of een soortgelijke instantie. 

Het verdere verloop  is  ons  bekend,  nu  cliënt  heeft  meegewerkt aan  een rapportage  en wij  ook  allen beschikken  over die rapportage. De afronding van  het  rapport  dateert van  25 februari  (psycholoog), respectievelijk  27 februari  2020 (psychiater).  Dat  betekent  dat we krap twee weken voor de oorspronkelijk geplande inhoudelijke  behandeling van 10  maart 2020 de informatie  hebben gekregen  die de officier van justitie wenste.

De  aanvullende vragen  van  de officier van justitie  aan  de  deskundigen zijn  aangekondigd  op  de zitting van  10 maart  2020 en  pas  ingediend  op 2 april  2020.  De  beantwoordingen van  deze vragen zijn  eerst op  de laatste  zitting gegeven  in geval  van  de  psycholoog en  daags voor de zitting schriftelijk  door de psychiater. Wat de verdediging  betreft kan  het  niet  anders  dan  dat  de  officier van  justitie  met  betrekking tot  het referentenonderzoek (milieuonderzoek) al bij  het indienen van haar vragen  voornemens was uiteindelijk  aanhouding te verzoeken  voor een  gedwongen  opname  in het  Pieter Baan  Centrum  met  het oog op  dat onderzoek,  wetende wat de rapporteurs daarover in februari  daarover  hadden geschreven  en  wetende  wat die zouden  beantwoorden.  Het feit  dat  zij  dit verzoek voornemens was te doen  aan  het einde van  de  inhoudelijke behandeling op  20 mei  2020  is wat de verdediging  betreft  niet  ‘hoogst  ongelukkig’,  maar is sollen met  de verdachte en een  ieder die  had  verwacht op die  zittingsdag  de  inhoudelijke behandeling  af te  ronden.

In  dat verband  is  relevant dat  bij  de  rechter-commissaris  niet  is gesproken over een referentenonderzoek  maar slechts over onderzoek  door een  psycholoog en  een  psychiater.  In  de gesprekken  met  cliënt door de  psycholoog en  psychiater  is  slechts één  keer gevraagd  naar het referentenonderzoek, waardoor cliënt  is overvallen  en  waarvan  hij  het  (juridische)  belang  op  dat moment niet heeft  kunnen  doorgronden  of  heeft  kunnen  bespreken  met zijn raadsman. Client  heeft de  psycholoog en  de psychiater overigens ook  laten weten  waarom  hij  in  eerste instantie afwijzend stond tegenover dergelijk contact met zijn referenten: velen waren al  intensief  bevraagd door de politie en  hij wilde  hen niet onnodig  belasten. Juist vanuit de gedachte  dat hij aanvankelijk afwijzend stond tegen  het onderzoek door beiden  maar wel  degelijk  heeft  meegewerkt,  had  het wat  de verdediging  betreft overigens zonder meer in de rede gelegen  hierover de  koppen  bij  elkaar te  steken  mede met  het oog op voortvarende afdoening van  de  zaak.

In  het  rapport van  de  psychiater wordt gewag gemaakt van  het  nut van  referentenonderzoek dat overigens niet was  opgedragen.  De  psychiater meent dat  een dergelijk onderzoek zijn  bevindingen had  kunnen  ijken  (p. 10)  en  hij  geeft  aan  dat  het eerdere referentenonderzoek  door De Waag  hem wel  bekend  is  en  onderling is gedeeld   (p. 14).  De psychiater geeft  in overweging alsnog een ambulant (!) forensisch  milieuonderzoek te doen,  wat alleen  zin  heeft  als  betrokkene en  zijn netwerk  hieraan willen  meewerken.  Dit  laatste is  niet verder onderzocht.

Hetzelfde geldt voor  het rapport van  de  psycholoog.  Ook  hier wordt  referentenonderzoek  kort  met cliënt  besproken  en  aanvankelijk afgewezen,  met de  interessante  toevoeging dat cliënt aan            het einde van  het  onderzoekstraject  heeft opgemerkt te  willen overwegen of mogelijk een  referent zou kunnen worden  benaderd (p. 7).  De achtergrond  achter  het  afhouden  van  referentenonderzoek is gelegen  in  het feit  dat cliënt anderen  niet wil  belasten,  en  dat  hij  niet teveel  vertrouwen  in de handen van anderen wenst te  leggen  (p.  15).  Uiteindelijk wordt overwogen aanvullend  (!) milieuonderzoek te  laten  plaatsvinden  (p. 28).

Kort en goed:  cliënt is slechts  beperkt  en terloops  bevraagd  over een  eventueel  milieuonderzoek,  is daarbij  niet  gewezen  op  mogelijke  consequenties van  het  niet  meewerken,  is  niet geïnformeerd  hoe dat  onderzoek er uit  zou  moeten  zien  en is   keihard  afgerekend  door de officier van  justitie op  zijn aanvankelijke weigering zonder dat er een  uitdrukkelijke opdracht lag voor dat  milieuonderzoek. Cliënt is  ook keihard afgerekend  door uw rechtbank op zijn  aanvankelijke weigering en zijn begrijpelijke twijfels en  weerstand  bij  een  dergelijk onderzoek,  die onzes  inziens alleszins te begrijpen zijn  mede vanuit de gedachte dat een  dergelijk onderzoek  aanvankelijk niet  in  het vat zat.  Belangrijker  nog, en daarin is de verdediging ernstig teleurgesteld  door de  officier van justitie: de aanhouding van 20 mei  2020  had  voorkomen  kunnen worden  als er maar enige vorm  van overleg zou  zijn geweest  over  dat  milieuonderzoek.  Mede in  het licht van  de  hoeveelheid  e-mails die  over  en weer zijn  gestuurd  ter voorbereiding  op  de  (inhoudelijke)  behandeling van  de  zaak  op 8 januari 2020,  10 maart  2020  en  20    mei  2020, meent de  verdediging  die verwachting te  mogen  hebben (gehad).

Dat  brengt ons tot  het volgende.  Het enige wat  rest is een  forensisch  milieuonderzoek.  Het onderzoek als  zodanig kan ambulant.  Sterker  nog:  op  de website  van het  NIFP prijkt de  mededeling dat een  opname  in  het Pieter Baan  Centrum  in de 12 weken durende voorbereidingstijd zal worden voorafgegaan door een forensisch milieuonderzoek. *1.           Nogmaals:  de  officier van justitie  zegt  na contact  met  het  Pieter Baan  Centrum  dat  dit  niet zou  kunnen, maar het is juist  de  instelling die als standaard  werkwijze hanteert wat de verdediging  uw rechtbank  heeft voorgesteld  en  waarvoor cliënt  wel  is te motiveren.  De wachttijd voor de opname  in  het  Pieter Baan Centrum  is bovendien naar verluidt  niet  12  weken,  maar in verband  met Corona-perikelen momenteel  zes maanden.

Dat  betekent dat alleen voor een  gesuggereerd aanvullend  milieuonderzoek  de strafzaak van  cliënt minimaal  negen  maanden stil  komt te  liggen.

*1 https://www.nifp.nl/pieter-baan-centrum/voorafgaand-aan-de-opname/index.aspx

De rechtbank heeft wat  de verdediging  betreft,  gegijzeld door een  laat en  misplaatst verzoek van de officier van justitie die  bovendien  niets heeft gezegd over dergelijke wachttijden, een  beslissing genomen  die voor iedere  andere  betrokkene  in deze zaak zwaar valt.       Een  beslissing die vooral  niet logisch  is,  die nauwelijks valt uit te leggen.  Onder die omstandigheden  kunnen  wij  cliënt  niet ontzeggen  dat  hij weinig vertrouwen  heeft  in de rechtbank en  in  de  eerbiediging van  zijn  recht op een  eerlijk  proces.

Vandaag zou zoals gezegd  naar onze  verwachting  het vonnis worden  uitgesproken, waarbij  de verdediging  in  elk geval  met  kracht van  argumenten en  op  basis  van  het dossier zou   hebben betoogd  dat cliënt  behoort te worden  vrijgesproken  van  het  overgrote deel  van  de tenlastegelegde strafbare feiten,  maar  in elk geval ten  aanzien van de ernstige  feiten  op die tenlastelegging.  Bij  de huidige stand van zaken  zal cliënt onder erbarmelijke  omstandigheden  in voorlopige  hechtenis blijven  in afwachting van onderzoek dat grotendeels al  is uitgevoerd, omdat  uw  rechtbank  het  niet heeft aangedurfd  een  ambulant  milieuonderzoek te  bevelen  dat  binnen een veel  korter tijdsbestek kan worden  afgerond.  Cliënt  neemt dat uw  rechtbank kwalijk  en ook  dat  kunnen wij hem  niet ontzeggen.

De verdediging verzoekt uw rechtbank een  moment voor  behandeling van deze aanvullende onderzoekswens van de verdediging in te  plannen, waarbij  de onderzoekswens erin  bestaat dat uw rechtbank tussentijds  een  ambulant forensisch  milieuonderzoek gelast.  De verdediging  licht haar verzoek graag  nader toe op een  hopelijk op zeer korte termn  in te  plannen  zitting.

Hoogachtend,

En met vriendelijke  groet,

P.P.J.  van  der Meij en S.M.  Hof