20 maart 2020 – Het omstreden beroepsverbod

In de afgelopen maanden is mij gevraagd om mee te werken aan een aantal onderzoeken in opdracht van de Officier van Justitie. Het eerste was een NIFP Psychiatrisch onderzoek. Het tweede was een NIFP Psychologisch onderzoek en het derde was voor de Nederlandse reclassering.

Het omstreden beroepsverbod - Keith Bakker Official Blog

Aan alle drie de onderzoeken heb ik volledig meegewerkt. Ik ben op een professionele manier behandeld en ik vond het zelf interessant om te doen. Ook heb ik niets te verbergen.

Hoewel ik er niet bij was, heb ik vernomen dat er vandaag bij de rechtbank veel gesproken zou zijn over het beroepsverbod. Ik heb al vaker geschreven dat ik volledige toestemming had van de reclassering en het O.M. om mannen te gaan coachen, maar het ontbrak mij aan ondersteunend bewijs om deze beweringen hard te maken. 

Tot nu.

Ik heb in de loop der tijd enorm veel waardering gekregen voor de deskundigen van de reclassering die hier intern onderzoek naar hebben gedaan.

Deze mensen hebben er in dit geval niet voor gekozen om de resultaten in de doofpot te stoppen. Het volgende gedeelte is een citaat uit het verslag van het onderzoek van Reclassering Nederland met betrekking tot mijn beroepsverbod en de handhaving daar van.

Beroepsverbod

Vanuit de reclassering kan hierover wel het volgende vastgesteld worden: Het beroepsverbod werd als separate straf opgelegd naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Op het moment dat de heer bakker in beeld kwam bij de reclassering in het kader van V.I. (Voorlopige Invrijheidstelling), was de reclassering formeel tijdens deze V.I. periode (23-10-2013 tot 12-07-2016) belast met de controle op de bijzondere voorwaarden (meldplicht, behandeling en mediaverbod).

Maar de controle op het beroepsverbod behoorde daar formeel niet bij.

De reclassering zag het echter wel als passend controle hierop gedurende V.I. mee te nemen in het traject, maar had dus formeel niet de macht om betrokkene daar, op grond van de bijzondere voorwaarden in te sturen of zaken hier in te verbieden.

Dit betekende eveneens dat de heer Bakker misschien niet verplicht was zijn activiteiten te melden bij de reclassering. Desalniettemin kan er uit het reclasseringsdossier gesteld worden dat beide partijen zich lijken te hebben ingespannen om zich aan het beroepsverbod te conformeren of dit in ieder geval werkbaar te maken.

Wat betreft de rol van de reclassering kan op grond van vele mailwisselingen die hebben plaatsgevonden tussen Reclassering, de C.V.V.I. (het orgaan dat controle heeft over de voorlopige invrijheidstelling) en betrokkene, kan worden vastgesteld dat bij iedere vraag dat dit beroepsverbod raakte, contact werd gezocht met de C.V.V.I. of dit toegestaan was.

In dit licht achten wij het van belang een deel (van de vele) mailwisselingen (die in het bezit worden verondersteld te zijn van het O.M.) tussen het C.V.V.I. Reclassering en O.M. (executie) te vermelden.

Wij, als centrale voorziening V.I. hebben toegezegd ons daarover te zullen buigen omdat bij ons was gebleken dat de rechtbank verzuimd had een verantwoordelijk toezichthouder te benoemen in haar vonnis.

Daarnaast was er het probleem dat Bakker een erg algemeen verbod opgelegd had gekregen dat mede vanwege het feit dat hij geen geregistreerd hulpverlener was, multi-interpretabel lijkt.

Tenslotte speelde mee dat de reclassering en wij, van mening waren dat het belangrijk was dat Bakker de schadevergoedingen aan de slachtoffers zou kunnen vergoeden en dat het daarvoor nodig was dat hij (snel) weer geld kon verdienen.

Vanwege de lacune in het vonnis en de urgentie van de vraagstelling van de reclassering en Bakker, hebben wij het vooralsnog op ons genomen om in het kader van het V.I.-toezicht, ook toezicht te houden op het naleven van het beroepsverbod door Bakker.

Vervolgens zien wij dat vanuit dit toezicht (Reclassering C.V.V.I.) met de heer Bakker wordt afgesproken dat betrokkene nadrukkelijk niet als behandelaar zou optreden, niet in oncontroleerbare één-op-één situaties zou werken en niet met vrouwen zou mogen werken.

Tenslotte moest hij de reclassering en daarmee het O.M. op de hoogte brengen van zijn voorgenomen werkzaamheden, zodat zij die werkzaamheden kunnen beoordelen in het kader van het beroepsverbod. Volgend op deze afspraken zien wij onder meer dat betrokkene een voorstel indiende om in een kliniek in Engeland te gaan werken. Hetgeen werd goedgekeurd aangezien de specifieke werkzaamheden onder de gemaakte afspraken zou vallen. (enkel mannen en in groepsverband).

Wat de heer Bakker betreft, kan gesteld worden dat hij zich, zonder dat hij dit feitelijk moest, lijkt te hebben ingespannen om over al zijn plannen en werkzaamheden in overleg te treden met de reclassering en daarmee indirect ook het C.V.V.I. en hierin openheid te betrachten.

Wij zien in de mailwisselingen van zijn toezichthouder ook zijn eigen twijfels en onzekerheden terug, over het al dan niet doorpakken in zijn plannen om te gaan werken als motivational coach, een onderwerp dat hij ook bij De Waag zou hebben besproken, zo lezen wij.

Concluderend stelt rapporteur dat zowel reclassering als C.V.V.I. zich ingespannen hebben het beroepsverbod zoveel mogelijk aan te scherpen en concreet te maken, zodat deze gedurende V.I.-periode werkbaar en toetsbaar zou kunnen worden en vervolgens met de heer Bakker te hebben besproken en afspraken hierin te hebben gemaakt.

Wij zien ook dat de heer Bakker bij het ontplooien van werkzaamheden zijn best lijkt te hebben gedaan om zich aan de nieuwe afspraken te houden gedurende het toezicht en hierin openheid te betrachten.

Na de beëindiging van het reclasseringstoezicht viel echter de controlerende rol van de reclassering weg en zou het sindsdien volgens de heer Bakker nooit meer duidelijk zijn geworden bij welke instantie of contactpersoon hij zijn werkzaamheden diende te overleggen. De heer Bakker geeft aan dat hij uit zelfbescherming wel steeds getracht zou hebben het juiste pad, zover duidelijk, te bewandelen.

Tegelijkertijd mag ook gesteld worden dat hij zich voor zover bij ons bekend, niet inspande om een ander beroep te kiezen, weg van hulpverlening.

Wat betreft de toegegeven interventie bij aangeefster, zou hij ook getwijfeld hebben.

Hij zou echter gezwicht zijn onder de druk en wanhoop van de ouders en het bij hem levende idee dat wanneer hij dit niet zou doen, zij zou sterven.

Gesteld kan worden dat hij door dit naar zijn zeggen éénmalig contact, te laten zijn onder toezicht van ouders en in een controleerbare situatie, de oude afspraken met het C.V.V.I. reclassering nog enigszins te hebben gehandhaafd, met uitzondering dat dit een vrouwelijk persoon betrof.

Het is weer duidelijk dat het O.M. dit soort informatie negeert of achter houdt in mijn zaak.

Het O.M. was al jaren op de hoogte van al mijn activiteiten. Ook was hen duidelijk dat ik al het mogelijke heb gedaan in de situatie waarin ik mij bevond. Ik ben onschuldig, daar blijf ik bij!

Maar als ik schuldig zou zijn, zou deze informatie een bom zijn over hoe het O.M., de reclassering en de rechtbank zich verzuimd hebben in hun plicht naar mij toe en die van de samenleving.

Ik zal hoogstwaarschijnlijk alle drie de rapporten die gemaakt zijn door de psycholoog en de psychiater van het NIFP, en die van de reclassering online zetten.

Ik heb niets te verbergen, het O.M. blijkbaar wel. Binnenkort meer…

K.